Home > News > Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet naar aanleiding van de ex post evaluatie

NEWS

Wijziging van het Onroerenderfgoeddecreet naar aanleiding van de ex post evaluatie

calendar_new
12/02/2018
Related Lawyer(s)

Op 1 januari 2015 trad het nieuwe “Onroerenderfgoeddecreet” gefaseerd in werking. Het nieuwe decreet integreerde de bestaande erfgoedregeling inzake monumenten, landschappen en archeologie in één decreet.
 
De voorbije zomer keurde de Vlaamse Regering de conceptnota 'aanpassing Onroerenderfgoeddecreet naar aanleiding van de ex-post evaluatie' goed. Deze nota geeft, in grote lijnen, weer welke aanpassingen aan de erfgoedregelgeving worden voorgesteld als gevolg van een eerste evaluatie van de nieuwe regelgeving. In het licht van deze nota en een advies van de SARO, stelt de Vlaamse regering nu voor om het Onroerenderfgoeddecreet aan te passen en een aantal technische correcties door te voeren.
 
Het wijzigingsdecreet stelt onder meer een aantal (belangrijke en minder belangrijke) wijzigingen voor inzake archeologie en het zgn. “archeologisch traject” vervat in hoofdstuk 5 van het Onroerenderfgoeddecreet:
 
Vermindering van het aantal archeologienota’s:
 

  • Voor het bepalen van verplichtingen en vrijstelling inzake het archeologisch onderzoek, moet volgens het Onroerenderfgoeddecreet worden gekeken naar de oppervlakte van de ingreep in de bodem. Het decreet formuleert daartoe een aantal oppervlaktecriteria. Het huidige Onroerenderfgoeddecreet voorziet echter nog geen definitie van het ingreep in de bodem.  Bij gebrek aan omschrijving, wordt dit begrip de praktijk soms ruim geïnterpreteerd, waardoor projecten met een minimale bodembelasting soms nodeloos worden geconfronteerd met de verplichting tot het doorlopen van een archeologisch traject.

    Het wijzigingsdecreet voorziet de toevoeging van een definitie voor het begrip “ingreep in de bodem”: “elke wijziging van de eigenschappen van de ondergrond door de verwijdering of toevoeging van materie, de verhoging of verlaging van de grondwatertafel, of het samendrukken van de materialen waaruit de ondergrond bestaat. Voor de berekening van de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem wordt rekening gehouden met de oppervlakte van de vergunningsplichtige werken of handelingen zoals opgenomen in de vergunningsaanvraag. Bij de opmaak van de archeologienota of nota houdt de erkend archeoloog rekening met alle ingrepen in de bodem die voortkomen uit de geplande of vergunde werken;

    Het wijzigingsdecreet neemt hiermee de omschrijving die al was opgenomen in de memorie van toelichting bij het bestaande decreet over in het Onroerenderfgoeddecreet zelf, maar met een (belangrijke) precisering dat bij het bepalen van de oppervlakte enkel de vergunningsplichtige ingrepen in aanmerking worden genomen. Bodemingrepen die zijn vrijgesteld van vergunning, moeten dus niet in rekening worden genomen om te bepalen of er al dan niet een archeologisch (voor)onderzoek vereist is. Als zo’n archeologisch onderzoek aan de orde is, dan zal de impact van de niet-vergunningsplichtige werken wel in rekening moeten worden genomen.
  • Voor een aanvraag van omgevingsvergunning buiten archeologische zones wordt het oppervlaktecriterium verhoogd van 3000 m² naar 5000 m².

    Concreet wordt het toevoegen van een archeologienota aan de aanvraag van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met ingreep in de bodem, waarbij de percelen gelegen zijn buiten archeologische zones, pas verplicht als de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem 1000 m² of meer bedraagt en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de aanvraag betrekking heeft meer dan 5000 m² (i.p.v. 3000 m²). Voor een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden moet zo’n nota enkel worden gekeken indien de totale oppervlakte waarop de aanvraag betrekking meer dan 5000 m² bedraagt (i.p.v. 3000m²).

    De conceptnota gaat ervan uit dat de voorgestelde maatregel kan in dit segment een vermindering van het aantal archeologienota’s kan betekenen met 20%.
  • Het wijzigingsdecreet voorziet in een nieuwe vrijstelling van de verplichting tot opmaak van een archeologienota indien het gemeentebestuur van een erkende onroerenderfgoedgemeente een gemotiveerde vrijstelling heeft verleend aan de initiatiefnemer;

 
Versnelling van de procedure:
 

  • Het wijzigingsdecreet voorziet de vervanging van de melding van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem door een toelating (aangevraagd door de erkende archeoloog via het digitale platform). Na het verkrijgen van een toelating van het agentschap zal het vooronderzoek meteen kunnen starten. 

 

  • De verplichte voorafgaande bekrachtiging van de archeologienota’s zal op zijn beurt worden vervangen door een meldingsplicht, geïnspireerd op de meldingsplicht voor stedenbouwkundige handelingen. Als gevolg van deze meldingsplicht zal het volstaan om de gemelde archeologienota (i.p.v. de bekrachtigde) archeologienota toe te voegen aan de aanvraag van een omgevingsvergunning.

 
Uitbreiding vergoedingsstelsel:
 

  • Het wijzigingsdecreet voorziet de invoering van een premie voor verplicht uit te voeren archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem. De concrete toepassingsvoorwaarden zullen moeten nog worden uitgewerkt, maar ook hier de premie zal worden beperkt tot een aantal doelgroepen (lees: enkele voor “occasionele bouwheren”)

 
Andere vermeldingswaardige wijzigingen inzake archeologie zijn:

  • Het vervangen van de van rechtswege erkenning als natuurlijk persoon voor (inter)gemeentelijke archeologen door een erkenning “type 2”
  • Vereenvoudiging voor overmaken stukken aan de administratie (per gewone post, email, etc. in plaats van per aangetekende post)
  • Schrapping van vastgestelde inventarisitems die volledig gesloopt of verdwenen zijn uit de inventaris zonder dat een openbaar onderzoek moet worden georganiseerd.

 

Het wijzigingsdecreet stelt daarnaast een beperkt aantal wijzigingen voor aan de beschermingsprocedures en de vaststelling van de onroerenderfgoedrichtplannen.
 
Hier zijn te vermelden:

  • De invoering van een (notariële) informatieplicht in geval van het vestigen van opstal- of erfpachtrecht van een geïnventariseerd of beschermd onroerend goed (en dus niet enkel in geval van overdracht).
  • De verplichting tot het inwinnen van het advies van de zakelijke rechthouder van een onroerend goed voorafgaand aan de voorlopige bescherming.
  • Invoering van een termijn van 30 dagen na kennisgeving van de voorlopige bescherming voor het indienen van een verzoek gehoord te worden.
  • Een (snelle) procedure voor het verplaatsen van een beschermd goed.
  • Basis voor de vereenvoudiging van de premiepercentages voor beheersmaatregelen, werken of diensten aan of in beschermde goederen of erfgoedlandschappen.
  • Een gedifferentieerde erkenning voor archeologen (archeologie die alles mogen onderzoeken vs. archeologen die enkel vooronderzoek mogen doen zonder ingreep in de bodem).
  • Schrapping van de mogelijkheid tot het verkrijgen van een onderzoekspremie voor de opmaak van een beheersplan.

 

Over dit voorontwerp van wijzigingsdecreet wordt nu het advies ingewonnen van de Raad van State. In een latere fase zal ook het Onroerenderfgoedbesluit worden aangepast aan de principes die reeds in de conceptnota worden uiteengezet.