Home > News > Het Vlaamse Omgevingsvergunningsdecreet van toepassing: wat nu?

NEWS

Het Vlaamse Omgevingsvergunningsdecreet van toepassing: wat nu?

calendar_new
23/02/2017

Het is eindelijk zo ver. Bijna drie jaar na de goedkeuring op 25 april 2014 door het Vlaams Parlement treedt het nieuwe decreet op de omgevingsvergunning vandaag (23 februari 2017) in werking. Gemeenten kregen de mogelijkheid om nog een uitstel te vragen tot 1 juni 2017, hetgeen de meeste ook effectief gedaan hebben. Voor Vlaamse en provinciale projecten is de omgevingsvergunning echter vanaf 23 februari 2017 een feit.

Om deze hervorming in de kijker te zetten vindt u hieronder een korte toelichting over enkele van de voornaamste punten:

1. De integratie van twee (of meer) vergunningen in één vergunning
2. De overheid bevoegd om de vergunning te verlenen
3. De omgevingsvergunning van onbepaalde duur
4. De wijziging in de procedure voor de opmaak van een milieueffectenrapport (project-MER)
5. Is alles nu (al) duidelijk?


1. De integratie van twee (of meer) vergunningen in één vergunning

De belangrijkste nieuwigheid is ongetwijfeld de invoering van één geïntegreerd vergunningsproces. De vergunningsaanvraag zal zowel de stedenbouwkundige - als de milieugerelateerde aspecten omvatten, van zodra deze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Er zal dus niet langer sprake zijn van afzonderlijke milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen voor eenzelfde project: beide aspecten worden voortaan behandeld in de omgevingsvergunning. Daarnaast zal ook de verkavelingsvergunning opgaan in de omgevingsvergunning. De Vlaamse regering wil zelfs nog verdergaan, en zal op termijn ook alle andere bestaande vergunningsstelsels integreren in de nieuwe regeling (waaronder bijvoorbeeld de socio-economische vergunning en de natuurvergunning).

De integratie van de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning komt natuurlijk niet onverwacht. Deze vergunningen zijn reeds geruime tijd aan elkaar worden gekoppeld, hetgeen in de praktijk evenwel vaak de nodige problemen oplevert. De integratie in de omgevingsvergunning moet daaraan verhelpen. De actuele problematiek van de schorsing van de stedenbouwkundige vergunning in afwachting van de afgifte van de milieuvergunning en omgekeerd moet tot het verleden behoren. Ook het verval van de ene vergunning indien de andere niet verleend wordt, is niet langer aan de orde.  Tot slot valt ook de noodzaak weg om de voorwaarden van de verschillende vergunningen op elkaar af te stemmen. Kortom, de omgevingsvergunning maakt een globale beoordeling mogelijk en moet tegenstrijdige beslissingen en gevolgen vermijden.

De nieuwe regeling zal zich voornamelijk (maar niet uitsluitend) laten voelen op procedureel vlak. Door deze nieuwe procedure wordt onder meer het Milieuvergunningsdecreet, het Vlarem I en ook de procedurele bepalingen in de VCRO opgeheven. De zogenaamde indelingslijst (die de bijlage I aan Vlarem I vormde) blijft wel behouden in het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning. De vergunnings- of meldingsplichtige activiteiten en exploitaties blijven bestaan onder het nieuwe systeem, en ook de beoordelingscriteria om een vergunning al dan niet te verlenen blijven hoofdzakelijk dezelfde. Het decreet betreffende de omgevingsvergunning wijzigt de bestaande inhoudelijke regels inzake stedenbouw en milieu immers niet. Deze worden voor beide sectoren afzonderlijk geregeld in de Vlaamse codex ruimtelijke ordening (VCRO) enerzijds en het decreet algemene bepalingen milieubeleid (DABM) en Vlarem II anderzijds.


2. De overheid bevoegd om de vergunning te verlenen

Net zoals voor de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning, zijn ook voor de omgevingsvergunning drie overheden bevoegd: de Vlaamse regering, de deputatie en het college van burgemeester en schepenen.

De Vlaamse regering is enkel bevoegd voor een lijst van ‘strategische projecten’ (denk aan spoorwegen en waterwegen) en provincie overschrijdende activiteiten of inrichtingen. De deputatie is bevoegd voor de meest milieuhinderlijke inrichtingen (klasse 1), voor een limitatieve lijst met provinciale projecten (denk aan projecten met grote vloeroppervlakten buiten de centrumsteden) en voor inrichtingen/activiteiten die meerdere gemeenten omvatten.

Het gemeentelijk niveau heeft een residuaire bevoegdheid en zal bevoegd zijn voor het merendeel van de vergunningsaanvragen. Tegen de beslissing die het college in eerste aanleg neemt, staat administratief beroep open bij de deputatie. Tegen de beslissing die de deputatie in eerste aanleg neemt, staat administratief beroep open bij de Vlaamse Regering.

Voor Vlaamse projecten beslist de Vlaamse regering in eerste en enige aanleg.

Er zijn dus belangrijke wijzigingen inzake de overheid die in laatste instantie over een project moet beslissen. De deputatie had vroeger in veel gevallen het laatste woord, zelfs bij klasse 1-projecten. Er was immers wel nog een beroep mogelijk tegen de milieuvergunning bij de Vlaamse regering, maar voor de stedenbouwkundige vergunning besliste de deputatie in laatste aanleg. Dit zal nu niet langer het geval zijn: in laatste instantie beslist hier de regering. En voor de beperkte groep van Vlaamse projecten verdwijnt elke administratieve beroepsmogelijkheid, waardoor de doorlooptijd van de vergunningen aanzienlijk kan worden ingekort.

Tegen een beslissing in laatste administratieve aanleg staat wel nog steeds beroep open bij een rechtbank. Vroeger was dat de Raad van State in milieuaangelegenheden, en de Raad voor Vergunningsbetwistingen in stedenbouwzaken. Nu wordt dat in alle gevallen de Raad voor Vergunningsbetwistingen.


3. De omgevingsvergunning van onbepaalde duur

In tegenstelling tot de vroegere milieuvergunning die voor maximum 20 jaar werd afgeleverd, geldt de omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. Daarop worden een limitatief aantal uitzonderingen voorzien in het decreet. Zo kan een omgevingsvergunning onder meer geheel of gedeeltelijk voor een bepaalde duur worden voorzien als de vergunningsaanvrager daar zelf om verzoekt, of als een omgevingsvergunning op proef noodzakelijk is, of met het oog op de herlokalisatie van de exploitatie die niet verenigbaar is met een stedenbouwkundig voorschrift.

De onbepaalde duur betekent evenwel niet dat er geen controle meer is op deze vergunningen. Met name wordt voorzien in een systeem van algemene en gerichte evaluaties die mogelijks aanleiding kunnen geven tot een wijziging van de omgevingsvergunning.


4. De procedure voor de opmaak van een project-MER

Bij heel wat, vooral grotere, projecten is de voorafgaande opmaak van een project-MER vereist. Aan dat principe wijzigt het decreet betreffende de omgevingsvergunning op zich niets.

De verandering zit in de procedure van de opmaak van het project-MER. De bedoeling is om de “time-to-permit” te versnellen.

De wijzigingen situeren zich op twee vlakken: één bij de start van de procedure, en één bij het eindpunt ervan.

Bij de start van de procedure heeft de regelgever enkele belangrijke vereenvoudigingen doorgevoerd. De initiatiefnemer van het project moet nog altijd de intentie voor de opmaak van het project-MER melden aan de dienst-MER. Deze melding is wat vereenvoudigd. De dienst-MER is niet langer verplicht een beslissing te nemen over de inhoud van het project-MER; deze moet enkel nog het MER-team goedkeuren. Alleen als de initiatiefnemer dat uitdrukkelijk vraagt, zal de dienst-MER nog een standpunt innemen over de inhoud van het project-MER via een zogenaamd scopingsadvies. Nieuw is ook dat deze melding niet langer verplicht aan een openbaar onderzoek moet worden onderworpen. De initiatiefnemer mag natuurlijk altijd kiezen om toch een publieke raadpleging te organiseren, maar dit valt op zich volledig buiten de regelgeving.

Na opmaak van het project-MER moet de initiatiefnemer het ontwerp van MER bij de vergunningsaanvraag voegen. Zowel het ontwerp-MER als de vergunningsaanvraag maken samen het voorwerp uit van een openbaar onderzoek, na afloop waarvan de dienst-MER het project-MER goed- of afkeurt. De initiatiefnemer mag op voorhand ook aan de dienst-MER vragen om het project-MER voorlopig goed te keuren, maar dat is niet verplicht.

Deze nieuwe procedure biedt veel vrijheid aan de initiatiefnemer. Hij kan kiezen om een uitgebreid traject te volgen dat vrij vergelijkbaar is aan hetgeen vroeger bestond (met een scopingsadvies, een publieke raadpleging over de melding en een voorlopige goedkeuring van het project-MER). Maar hij kan ook kiezen voor een sterkt ingekort traject, waarbij de doorlooptijd zelfs beperkt kan worden tot 20 dagen; dit laatste kan nuttig zijn als het project op grote afstand ligt van gevoelige locaties en indien er weinig inspraak verwacht wordt. Vooral in die gevallen zal de time-to-permit aanzienlijk ingekort kunnen worden.

Als er in het verleden al een project-MER werd goedgekeurd, dan moet u deze procedure niet meer opnieuw doorlopen. In dat geval mag men het goedgekeurde project-MER gewoon bij de aanvraag voegen. Voorwaarde is wel dat het project-MER nog steeds actueel is.

Voor het Omgevingsveiligheidsrapport (of OVR) geldt quasi identiek dezelfde procedure.


5. Is alles nu (al) duidelijk?

Deze nieuwe wetgeving roept eveneens een aantal vragen op: wat is de invloed van deze nieuwe wetgeving op bestaande vergunningen? Wanneer moet een hernieuwing aangevraagd woren? Wat in geval van wijziging van een milieuvergunning? Wat mbt een uitbreiding van de activiteiten? Kunnen bestaande vergunningen worden omgezet in een omgevingsvergunning en zo ja, hoe? Is het interessant om de bestaande vergunningen om te zetten naar een omgevingsvergunning? Kan een omgevingsvergunning vervallen? Op welk moment moet een MER-rapport worden opgesteld? In welke gevallen kan de omgevingsvergunningen worden bijgesteld? Vanaf wanneer is er sprake van een onlosmakelijke verbondenheid? Wat bijvoorbeeld met de bouw en exploitatie van een multifunctionele loods, waarvan men op voorhand nog niet exact kan bepalen welke activiteiten er zullen plaatsvinden? Is het mogelijk om in verschillende fases vergunningen aan te vragen?

 

Aarzel niet om Dominique Devos of Filip De Preter te contacteren voor alle vragen die u daarover zou hebben. Zij helpen u graag verder.